Algemeen
Een aantal zaken met betrekking tot toegankelijkheid is in wet- en regelgeving vastgelegd. Dat betreft zowel regelgeving vooraf: eisen die gesteld worden aan bijvoorbeeld een gebouw of de openbare ruimte, als achteraf: wat gebeurt er wanneer iemand in een niet of slecht toegankelijke situatie belandt ?
Onder 'vooraf' vallen de onderdelen uit het Bouwbesluit, die over toegankelijkheid gaan en de norm NEN 1814.
Onder 'achteraf' vallen de Wet Gelijke Behandeling op grond van Handicap of chronische ziekte en de algemene en specifieke bepalingen in het Burgerlijk Wetboek.
De WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) neemt een speciale plaats in. Hierin zijn ondermeer bepalingen uit de Wet Voorzieningen Gehandicapten opgenomen.
Bouwbesluit
Elk gebouw of woning zou voor iedereen toegankelijk moeten zijn. In de praktijk is het echter zo, dat niet aan de eisen van ieder individu kan worden voldaan. Sinds de jaren ´90 streeft de overheid ernaar wetten en regels te maken die de ontwerper verplicht stellen een gebouw of woning zo te ontwerpen dat deze helemaal toegankelijk is, of gemakkelijk aangepast kan worden aan de behoeftes van de gebruiker. Het bouwbesluit, waarin alle wettelijke bepalingen met betrekking tot bouwregelgeving staan, moet regelmatig worden aangepast. Hierbij wordt ingespeeld op veranderingen in de maatschappij, zoals bijvoorbeeld een toenemende kwaliteitsvraag, het toenemende aantal ouderen die langer thuis blijven wonen, en de toenemende gemiddelde lengte van de bevolking.
In het bouwbesluit zijn minimum kwaliteitseisen vastgelegd, waaraan elk gebouw en zijn omgeving moet voldoen. Het is niet zo dat, wanneer aan deze eisen voldaan is, de gebouwen toegankelijk of geheel aanpasbaar genoemd kunnen worden. Wel zijn er sinds de invoering van het Bouwbesluit 2003 zaken aangescherpt.
Utiliteitsbouw
Utiliteitsgebouwen zijn gebouwen die niet voor bewoning zijn bestemd. Voor nieuwe utiliteitsgebouwen zijn in het Bouwbesluit eisen vastgelegd met betrekking tot ruimtes die niet voor het publiek toegankelijk zijn. Dit is bevorderlijk voor de arbeidsparticipatie, omdat op deze manier ook nieuwe werkplekken voor iedereen bereikbaar en toegankelijk moeten zijn.
Ook is de vereiste toegankelijke oppervlakte voor utiliteitsgebouwen vergroot; van gebouwen van 400 m2 of meer moet minimaal 40 % van de verblijfoppervlakte toegankelijk zijn. De regels voor toegankelijke toiletten en badruimtes in utiliteitsgebouwen zijn verscherpt.
Woningen
Er zijn beleidsvoornemens met betrekking tot de toegankelijkheid van woningen. Hierop is ingespeeld door in het bouwbesluit de normen voor hoogtes van deuren (voortaan minimaal 2,3 m) en plafonds (voortaan minimaal 2,6 m). De beloopbaarheid van trappen (vereiste hoogte boven een trap) wordt verhoogd van 2.1 m naar 2,3 m) en de breedte van gemeenschappelijke verkeersruimtes (minimaal 1,2 m) is vergroot. Voor meer informatie kunt u mailen of bellen met NCTT of de website bezoeken van het ministerie van VROM: www.minvrom.nl.
NEN 1814
Eisen voor toegankelijkheid zijn verder vastgelegd in de Nederlandse norm NEN 1814: Toegankelijkheid van buitenruimten, gebouwen en woningen: Toegankelijkheid is de eigenschap van gebouwde voorzieningen (buitenruimten, gebouwen en woningen), die maakt dat mensen de voor gebruik bestemde onderdelen, waaronder inrichtings- en bedieningselementen, kunnen bereiken en gebruiken.
Deze norm geeft eisen voor algemeen toepasbare toegankelijkheidsprestaties om te voorzien in de toegankelijkheidsbehoefte van mensen, al dan niet met persoonsgebonden hulpmiddelen zoals een rolstoel of taststok, maar bijvoorbeeld ook een kinderwagen of een koffer.
Toegankelijke woningen geven de mensen met een lichte en zwaardere fysieke functiebeperking meer woonkeuzemogelijkheden. Hierdoor hoeven bewoners minder snel of niet te verhuizen.
Een voldoende toegankelijke woning voldoet aan de NEN-norm 1814. Deze onderscheidt vier soorten toegankelijkheid: aanpasbaar, bruikbaar, bezoekbaar en integraal toegankelijk. De norm voor aanpasbaarheid heeft betrekking op onder meer afmetingen en toegankelijkheid van entrees, toegangen, gebruiksruimten en parkeervoorzieningen. Deze criteria richten zich met name op de woning en de collectieve ruimtes in een woongebouw.
Voor meer informatie kunt u mailen of bellen met NCTT of de website bezoeken van het NEN: www.nen.nl.
Wet Gelijke Behandeling op grond van Handicap of chronische ziekte
Doel: Het bestrijden van discriminatie vanwege handicap of chronische zieke en het bevorderen van gelijke behandeling van mensen met een handicap of chronische ziekte.
Specifiek karakter van de wet:
A. Onderscheid op basis van handicap of chronische ziekte komt niet alleen tot uiting in gedrag of bejegening, maar ook in de fysieke omgeving. Ook het niet compenseren van fysieke drempels is discriminatie.
B. Soms is op grond van handicap en chronische ziekte onderscheid juist wel gewenst. Deze maatregelen leveren een bijdrage aan de integratie en participatie van mensen met een handicap of chronische ziekte. Uit het recht op gelijke behandeling vloeit de verplichting voort om, al dan niet desgevraagd, doeltreffende aanpassingen te treffen. Daardoor moeten mensen met een handicap of chronische ziekte in staat worden gesteld om op voet van gelijkheid te participeren in de samenleving.
Deze aanpassingen moeten geen onevenredige belasting vormen voor degene die ze moet verrichten. De vraag moet worden beantwoord of de aanpassingen nodig en geschikt zijn. Daarnaast moet er een afweging plaatsvinden tussen het belang van de persoon met een handicap of chronische ziekte enerzijds en de belangen van het desbetreffende bedrijf (instelling) anderzijds.
Onderscheid
De wet verbiedt direct en indirect onderscheid. Bij direct onderscheid moet vooral gedacht worden aan vormen van uitsluiting of onheuse bejegening die direct te maken hebben met het gehandicapt zijn of hebben van een chronische ziekte.
Bij indirect onderscheid gaat het om een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelswijze. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere positie van gehandicapten en mensen met een chronische ziekte. Deze groepen kunnen daardoor een nadelig effect ondervinden, in mindere mate ergens een beroep op doen of onevenredig belast worden.
Het is in beide gevallen niet vereist dat aangetoond is dat er sprake is van opzet tot discriminatie of gelijke behandeling.
Uitzonderingsgronden
Uitzonderingen zijn mogelijk:
1. Wanneer de risicos voor de veiligheid en gezondheid van de gehandicapte zelf of betrokkenen te groot zijn.
2. Wanneer het sociaal beleid, voorzieningen en faciliteiten betreft die specifiek bestemd zijn om deelname aan de samenleving van de doelgroep te vergroten.
3. Wanneer het maatregelen treft die gericht zijn op positieve acties (toepassen van voorkeursbeleid).
Reikwijdte
De reikwijdte is met het ingaan van de wet, op 1 december 2003, voorlopig beperkt tot drie maatschappelijke terreinen, waarbij de verwachting is dat de norm daar uitvoerbaar en handhaafbaar is: arbeid, beroepsopleiding en openbaar vervoer.
Arbeid: het gehele arbeidsproces, van werving en selectie tot aan arbeidsvoorwaarden en ontslag.
Beroepsopleiding: beroepsonderwijs tot en met wetenschappelijk onderwijs en om- en bijscholingscursussen.
Het is de intentie om deze reikwijdte te verbreden.
Voor het openbaar vervoer is de wet niet per 1 december 2003 in werking getreden. Het gaat in het openbaar vervoer om algemene toegankelijkheidseisen. Al het openbaar vervoer moet goed toegankelijk zijn voor iedereen, letterlijk en figuurlijk: niet alleen de toegang tot perrons en haltes, de trams, bussen en treinen, maar ook de reisinformatie en kaartverkoop. Er zijn voor deze algemene toegankelijkheidseisen aanpassingen nodig die meer tijd vergen.
Daarnaast zijn er eerder afspraken gemaakt over wanneer dat het geval moet zijn (busvervoer: 2010; treinvervoer: 2030) en deze afspraken blijven staan.
Rechtsbescherming
Mensen die menen dat onrechtvaardig onderscheid is gemaakt kunnen zich wenden tot de Commissie Gelijke Behandeling (CGB). Daarnaast is een beroep op een rechter altijd mogelijk. Een oordeel van de CGB is een advies.
Voor meer informatie kunt u mailen of bellen met NCTT of de website bezoeken van het ministerie van VWS: www.minvws.nl.
Wetboek van Strafrecht
Sinds 1 januari 2006 is handicapopgenomen in het wetboek van strafrecht als discriminatiegrond. En kunnen bedrijven of diensten die -zonder dat daarvoor een goede reden bestaat- niet toegankelijk zijn voor mensen met een handicap zelfs strafrechtelijk vervolgd worden. Gehandicapten kunnen aangifte doen. Uit het discriminatieverbod kan voortvloeien dat sommige ondernemers ontbrekende voorzieningen moeten treffen. Een dergelijke voorziening moet wel in redelijkheid verwacht kunnen worden en mag voor de ondernemer niet onevenredig belastend zijn. De rechter zal daar een oordeel over moeten geven.
De wet richt zich ook specifiek op mensen die een ambt, beroep of een bedrijf uitoefenen. Bedrijven of diensten die zonder dat daarvoor een goede reden bestaat niet toegankelijk zijn voor mensen met een handicap kunnen strafrechtelijk vervolgd worden. Het doel van de wet is hier dat mensen met een handicap gewoon meedoen in het sociaal economisch verkeer.
Uit het discriminatieverbod kan voortvloeien dat sommige ondernemers voorzieningen moeten treffen. Wie bijvoorbeeld de deur van zijn bedrijfspand met opzet te smal maakt voor rolstoelgebruikers kan onder bepaalde omstandigheden gedwongen worden de deur te verbreden of anderszins voorzieningen te treffen.
Voor meer informatie kunt u mailen of bellen met NCTT of de website bezoeken van het ministerie van Justitie: www.justitie.nl.
WMO
De WMO is op 1 januari 2007 in werking getreden.
Het doel van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning is dat iedereen kan meedoen in de maatschappij.
De WMO regelt dat mensen die hulp nodig hebben, in het dagelijkse leven ondersteuning krijgen van hun gemeente. Het gaat om voorzieningen als hulp in het huishouden, een rolstoel of woningaanpassing. Mensen kunnen vanaf 1 januari 2007 bij hun gemeente terecht voor alle soorten ondersteuning die een normaal dagelijks leven mogelijk maken. Het gaat bijvoorbeeld om een traplift als men moeilijk ter been is. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en met wat voor soort ondersteuning de aanvrager het beste geholpen is. Elke gemeente regelt dit op haar eigen manier.
Mensen kunnen een beroep doen op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning voor ondersteuning in huis, om het huis en in de buurt. Meedoen met de samenleving is niet voor iedereen even vanzelfsprekend. Ouderdom, handicap, sociaal-economische klasse, psychische problemen of 'moeilijkheden thuis' kunnen hindernissen opwerpen om volop mee te draaien in de maatschappij.
Een wijk zonder hoge stoepen, een gemeentehuis of bibliotheek zonder drempels. Het organiseren van een buurtbarbecue, of een voetbaltoernooi in de wijk; het zijn voorbeelden van het bevorderen van deelname aan de samenleving.
De Wet Maatschappelijke Ondersteuning vraagt van de gemeente om te zorgen dat mensen met beperkingen meekunnen in de samenleving. Gemeenten mogen zelf bepalen hoe ze dat doen.
Voor meer informatie kunt u mailen of bellen met NCTT of de website bezoeken van het ministerie van VWS: www.minvws.nl.